Verhuurhypotheek: LTV, rente en financiering van een beleggingspand

Laatst bijgewerkt: 12 september 2026

Bij een verhuurhypotheek financiert een bank indicatief tot 80% van de waarde, tegen 100% bij een eigen woning. Je leent over de laagste van koopsom en taxatiewaarde. De rente op zo'n lening is niet aftrekbaar, omdat de schuld fiscaal in box 3 valt.

Een hypotheek voor een pand dat je gaat verhuren werkt op een paar cruciale punten anders dan de hypotheek op je eigen huis: de bank leent minder ten opzichte van de waarde, rentevoeten liggen doorgaans hoger, en fiscaal gebeurt er iets dat veel starters op vastgoedbeleggen verrast. Deze gids legt uit hoe die verschillen werken en hoe je ze meeneemt in een rendementsberekening voor een verhuurpand.

Vijf soorten financiering, één rekenmodel

Bij het financieren van een beleggingspand kom je verschillende soorten leningen tegen, elk met een eigen rol:

  • Verhuurhypotheek — een hypotheek specifiek gevestigd op het verhuurpand zelf. Dit is de gebruikelijke route voor een op zichzelf staande beleggingsaankoop.
  • Woninghypotheek — een hypotheek op je eigen woning. Komt in dit rijtje voor omdat sommige beleggers eerst hun eigen huis herfinancieren en het vrijgekomen geld elders inzetten.
  • Overbruggingskrediet — kortlopende financiering, vaak gebruikt wanneer je een nieuw pand koopt terwijl de verkoop van een ander pand nog niet rond is.
  • Overwaarde eigen woning — je verhoogt de hypotheek op je hoofdverblijf en gebruikt het vrijgekomen bedrag om een beleggingspand te kopen. Fiscaal is dit de meest verraderlijke variant, zoals verderop blijkt.
  • Overig krediet — restcategorie voor bijvoorbeeld een familielening of persoonlijke lening.

Voor de rekensom maakt het niet uit welke combinatie je kiest: elk financieringsdeel krijgt een eigen hoofdsom, rente, looptijd en aflossingsvorm, en de tool telt de delen bij elkaar op tot je totale financieringslasten. Dat is precies hoe zowel de verhuurtool als de vakantiewoning-tool financiering modelleert: hetzelfde onderliggende model, ongeacht of je pand permanent wordt verhuurd of per nacht.

Drie aflossingsvormen, drie heel verschillende kasstromen

De aflossingsvorm bepaalt hoe je maandlast zich over de looptijd ontwikkelt:

  • Annuïtair — de totale maandtermijn (rente + aflossing samen) blijft gedurende de looptijd gelijk. Onder de motorkap verschuift de verhouding wel: naarmate je restschuld daalt, daalt ook de rentecomponent, en stijgt het deel dat je aflost. Je betaalt dus elke maand hetzelfde bedrag, maar bouwt in het begin langzamer eigen vermogen op dan het lijkt.
  • Lineair — je lost elke maand exact hetzelfde bedrag van de hoofdsom af. Omdat de restschuld sneller daalt dan bij annuïtair, daalt ook de rentecomponent sneller, waardoor je maandlasten in het begin het hoogst zijn en geleidelijk afnemen.
  • Aflossingsvrij — je lost tijdens de looptijd niets af; de volledige hoofdsom staat aan het eind nog open. Je maandlast bestaat dan alleen uit rente, en die rente blijft over de hele looptijd op hetzelfde (hoge) niveau, omdat de restschuld niet daalt.

Voor een verhuurpand is aflossingsvrij (of een lange aflossingsvrije periode) populair omdat het de maandelijkse cashflow maximaliseert — maar het betekent ook dat je aan het eind van de looptijd, of bij verkoop, de volledige hoofdsom in één keer moet aflossen of herfinancieren. Reken beide scenario's door voordat je kiest.

LTV: waarom een verhuurhypotheek minder ruimte geeft

LTV staat voor loan-to-value: het deel van de waarde van het pand dat de bank maximaal wil financieren. Voor een verhuurhypotheek ligt die grens indicatief rond 80% van de waarde — je hebt dus zelf minimaal 20% eigen inbreng nodig, naast de kosten koper. Voor een hypotheek op je eigen woning kan een bank tot 100% financieren. Dat verschil van 20 procentpunt is de kern van waarom vastgoedbeleggen meer eigen vermogen vraagt dan een eerste eigen huis kopen.

Een tweede detail waar veel kopers overheen lezen: de bank rekent de LTV niet automatisch over de koopsom. Ze neemt de laagste van de koopsom en de getaxeerde marktwaarde als basis. Koop je onder de taxatiewaarde, dan leent de bank over dat lagere bedrag (de koopsom) — het verschil met de taxatiewaarde is dan meteen overwaarde in het pand, geen extra leenruimte. Ligt de taxatie juist lager dan wat je betaalt, dan is die lagere taxatiewaarde het plafond waarover de bank leent, en moet je het verschil met de koopsom uit eigen middelen bijleggen. Deze LTV-grenzen zijn indicatief — banken verschillen onderling en wijzigen hun beleid; vraag bij een concrete aanvraag altijd de actuele norm op bij je geldverstrekker of hypotheekadviseur.

Het fiscale addertje: het onderpand bepaalt níet de renteaftrek

Dit is het punt waarop een verhuurhypotheek het meest afwijkt van hoe de meeste mensen over hypotheken denken. Bij je eigen woning is de hypotheekrente aftrekbaar van je inkomen. Bij een verhuurpand geldt dat niet — ongeacht op welk pand de hypotheek juridisch is gevestigd.

Bepalend voor de fiscale behandeling is namelijk niet het onderpand, maar de besteding: waar is het geleende geld daadwerkelijk aan uitgegeven? Een privé verhuurd pand valt in box 3, of de hypotheek nu rechtstreeks op dat pand staat, óf uit de overwaarde van je eigen woning is gehaald. In beide gevallen geldt: het geld is besteed aan een beleggingspand, dus verhuist de schuld fiscaal naar box 3, en is de rente die je erover betaalt nergens aftrekbaar. De schuld verlaagt wel de box 3-grondslag (tegen het lage schuldenforfait), maar dat is een heel andere, veel kleinere aftrek dan de volledige renteaftrek die je misschien van je eigen woning gewend bent.

Veel starters op vastgoedbeleggen verwachten dat een lening tegen de overwaarde van hun eigen huis dezelfde renteaftrek geeft als hun eigenwoninghypotheek, juist omdat het onderpand hun hoofdverblijf is. Dat is precies de denkfout: de zekerheid staat op je eigen woning, maar het geld ging naar het beleggingspand — en dát bepaalt de box waarin de schuld valt en dus het ontbreken van renteaftrek.

Er is één uitzondering waarbij rente wél het resultaat drukt: als je activiteit het normale, actieve vermogensbeheer te boven gaat — bijvoorbeeld grootschalig uitponden, zelf op grote schaal verbouwen, of handelen met voorkennis — kan de Belastingdienst dit aanmerken als "resultaat uit overige werkzaamheden" in box 1. Rente en kosten drukken dan wél het resultaat, maar of je feitelijk in die categorie valt is een discussiepunt met de Belastingdienst en geen keuze die je zelf maakt. Twijfel je of je activiteiten deze grens naderen, laat dit dan vooraf door een fiscalist beoordelen.

Wat dit betekent voor je rendementsberekening

Bij het doorrekenen van een verhuuraankoop is het verleidelijk om de hypotheeklast simpelweg als kostenpost mee te nemen en verder niet stil te staan bij de fiscale herkomst van het geld. Dat werkt voor de operationele cashflow — rente en aflossing drukken die cashflow ongeacht de box waarin de schuld valt — maar het geeft een onvolledig beeld zodra je de box 3-heffing over je totale vermogen erbij optelt. Twee punten om mee te nemen:

  • Een hoge hypotheek (lage eigen inbreng) verlaagt je box 3-grondslag via het schuldenforfait, maar dat voordeel is aanzienlijk kleiner dan een renteaftrek in box 1 zou zijn — reken dit niet dubbel.
  • Financier je via overwaarde van je eigen woning, controleer dan expliciet dat je in de tool het financieringsdeel als "belegging" (box 3) laat lopen en niet per ongeluk als eigenwoningschuld behandelt — dat laatste bestaat voor deze aankoop fiscaal niet.

Veelgemaakte denkfouten

  • "Ik leen tegen de overwaarde van mijn eigen huis, dus die rente is aftrekbaar." Nee — bepalend is waar het geld heen gaat, niet waar de zekerheid op staat. Geld dat naar een beleggingspand gaat, is een box 3-schuld.
  • "Een verhuurhypotheek werkt met dezelfde LTV als mijn eigen hypotheek." Niet standaard: 100% LTV bij een eigen woning tegenover indicatief 80% bij een verhuurhypotheek is een gebruikelijk verschil, al verschillen concrete bankvoorwaarden.
  • "Aflossingsvrij is goedkoper omdat de maandlast lager is." De maandlast is lager omdat je niet aflost — niet omdat de lening goedkoper is. De volledige hoofdsom blijft openstaan en moet ooit worden afgelost of geherfinancierd.
  • "De bank rekent de LTV altijd over de koopsom." Ze rekent over de laagste van koopsom en taxatiewaarde — bij een taxatie onder de koopsom moet je het verschil zelf bijleggen.

Deze gids beschrijft de gangbare werking van verhuurfinanciering op hoofdlijnen ter oriëntatie. Het is geen financieel of fiscaal advies — zie ook de disclaimer. LTV-grenzen, rentevoeten en acceptatiecriteria verschillen per geldverstrekker en wijzigen regelmatig; vraag een hypotheekadviseur naar de actuele voorwaarden voor jouw situatie, en raadpleeg een belastingadviseur als je activiteiten mogelijk als werkzaamheid in box 1 kwalificeren.

Wil je precies weten waarom deze box 3-schuld geen renteaftrek geeft en wat dat doet met je nettorendement? Lees verder in box 3 en een verhuurde woning: wat het doet met je rendement.